De hond, klein of groot, ras of vuilnisbakkenras,
is een vaste bewoner in een Thomashuis of Herbergier.
Het beest(je), soms nog dwarser als zijn baas,
is een echte verbinder.

Ik heet Laika. Niet veel mensen weten dat dat Russisch is voor blaffen, maar dat terzijde. Mijn baas Paul uit Elst vindt mij (onzijdig, want in ben ‘geholpen’) een echte dwarsblaffer, omdat ik maar slecht naar hem luister. Zijn kinderen en bewoners zijn dol op mij, juist omdat ik niet luister. 

Mijn spitse neus is gespecialiseerd in het opsporen van koekjes, cakejes en ander fijn baksel. Liefst als het bij de meesterbakkers van Dudok vandaan komt. Wat kunnen die gasten zalige appeltaart bakken. Met de geur en smaak van grootmoedersappeltaart. 

Waar ik mijn neus voor ophaal is de chemische zooi van de Hema, de tompoucen met zo’n klieder pudding ertussen. Maar net zo erg zijn de aanbiedingstompoucen van Jumbo tijdens Koningsdag, niet te hachelen. Ik ben best wel een verwende hond. 

Deze ochtend krijgt mevrouw Dubbelmans haar dochter Annemiek op visite. Baas Paul houdt mij scherp in de gaten, want hij weet dat Annemiek altijd die fantastische taart van Dudok mee neemt. Haar moeder is er dol op en ik ook. Ik kan mij dan niet inhouden en snaai snel een stukje weg en kijk daarbij heel onschulding. Ik moet bekennen dat ik ook een beetje verliefd ben op Annemiek. Ze is altijd heel aardig voor mij als ik een beetje rondscharrel door de woonkamer en even hier en daar snuffel en een koekje verorber.

Ze opent voor haar moeder de Dudokdoos en haalt daar een nieuw taartje uit. Geen appeltaart maar wortelnotentaart. Mijn neus vult zich met zalige lucht. Als er een stuk op het bord achterblijft, kan ik mij geheel niet inhouden. Baas Paul is te laat en Annemiek en haar moeder lachen, wat is het toch fijn om hond in een Herbergier te zijn.