De hond, klein of groot, ras of vuilnisbakkenras,
is een vaste bewoner in een Thomashuis of Herbergier.
Het beest(je), soms nog dwarser als zijn baas,
is een echte verbinder. Laika snuffelt en bedelt er op los in een Herbergier. 

Blij dat ik niet leefde rond 1690 in Amsterdam, maar toen bestonden er ook geen Herbergiers. Arts en preparateur Frederik Ruysch gebruikte niet alleen mensen, vaak opgehangen misdadigers, maar ook honden en andere beesten om zijn preparatietechniek te verbeteren. Hij struinde de straten van Mokum af op zoek naar hond om die dan te ‘demonteren’. Ondanks mijn wat dikke verschijning, komt door die zalige koekjes en taartjes van Dudok, had ik hem flink in de kuiten gebeten. De restanten van dit opzetwerk zijn nog te bewonderen in Kunstkamera in Sint-Petersburg. 

Terwijl baas Paul even het boek Frederik Ruysch – Op het snijvlak van kunst en wetenschap neerlegt, kijk ik naar een tekening van een opengesneden hond, gelukkig in zwart/wit. Woef, dat is niet fijn. Het arme beest heeft een touw om zijn snuit. Ik hoor Paul in de keuken praten over hoe toen de gezondheidszorg in elkaar stak. Wie geld had, veel geld werd geholpen en wie niet… woef. Dan hebben we nu echt geen klagen.

Gelukkig word ik afgeleid door mevrouw Dubbelmans. Ze legt haar trillende hand op mijn kop. Een zalige gloed doet het boek over Ruysch geheel vergeten. Het is fijn om hond te zijn: kort van memorie. Het is een teken dat dadelijk dochter Annemiek langskomt en wat neemt ze mee? Juist, een appeltaartje van Dudok. Mevrouw Dubbelmans is er gek op en ik ook. Wat is het toch fijn om hond in een Herbergier te zijn: geen Ruysch maar een Dubbelmans.